ALLE GEZONDHEID TESTEN VOOR EEN AUSTRALIAN CATTLE DOG 

VERDERE AANVULLING VOLGT 


ACD - Oorsprong en historie van de Australian Cattle Dog


Tijdens de kolonisatie van Australië was de bevolking slechts gevestigd in het gebied wat bekend is als het gebied 'Sidney Metropolitian'. De landerijen van die tijd waren relatief klein en de afstand die zij moesten overbruggen om het vee naar de markt te brengen was niet groot. Het vee, welke gehouden werd op deze landerijen was gewend aan mensen en hun honden, de kudde was redelijk rustig en controleerbaar. Werkhonden, welke vanuit andere landen naar Australië werden meegebracht, hebben naar behoren bij deze kudden gewerkt. Ondanks dat zij af en toe last hadden van het warme klimaat.
Uiteindelijk verspreiden de kolonisten zich ten noorden van Sidney, naar de Hunter Valley, en ten zuiden van Sidney naar het Illawarra district. Met de ontdekking van de pas over de Great Dividing Range in 1813, door Blaxland, Wentworth en Lawson, werden reusachtige weidelandschappen ontdekt welke meer naar het westen lagen. Hier waren de landerijen over de honderd en zelfs duizend vierkante mijlen. Deze landerijen waren veelal niet omheind. Het vee verwilderde en sloeg makkelijk op hol.
De meest populaire hond die gebruikt werd door de toenmalige veedrijvers (wringers) en vee-eigenaren was een werkhond, naar Australië gebracht vanuit Engeland, welke onder de naam 'Smithfield Sheepdog' bekend was.
De Smithfield was een grote ruwharige vierkante hond, met een gecoupeerde staart. Een lange ruwharige vacht, met een witte kraag rondom de nek. Zijn gangwerk was erg moeilijk hanteerbaar. Net als de overige werkhonden in die tijd had de Smithfield moeite met de hoge temperaturen, het ruwe terrein en de lange afstanden naar de veemarkten. Deze werkhonden hadden alleen de nare eigenschap om tijdens het drijven van het vee te blaffen en ook waren zij behoorlijk koppig. Dit is gewenst bij het werken met schapen en zelfs te accepteren wanneer met rustig vee gewerkt wordt. Bij het werken met vee dat wat wilder is en wanneer de kudde uit grote aantallen bestaat, veroorzaken dit soort honden een plotselinge paniek onder het vee, waardoor het vee op de vlucht slaat. Al snel werd duidelijk dat een stil werkende hond met meer uithoudingsvermogen en meer kracht nodig was om het verwilderde vee naar de veemarkten in Sidney te brengen.
Timmins, een veedrijver die regelmatig vee van Bathurst naar de veemarkten in Sidney bracht, wist veel over de inheemse hond de Dingo. Hij wist dat de Dingo een niet blaffende wilde hond is met de bruikbare eigenschap om zijn prooi te besluipen en vervolgens van achter aan te vallen en te bijten. Timmins heeft geprobeerd om de Dingo te kruisen met de Smithfield, met als doel een stil werkende hond met meer uithoudingsvermogen te produceren. Bovendien moest deze kruising beter geschikt zijn om te werken onder Australische condities. Deze kruising zou gebeurd zijn rond 1830. De nakomelingen waren rode honden zonder staart, welke 'Timmins Biters' genoemd werden. In tegenstelling tot de Smithfield waren dit stil werkende honden maar zij bleken veel te koppig, onhandelbaar en te hard te bijten. Hoewel deze kruising voor een tijdje is gebruikt is zij toch geleidelijk aan uitgestorven. Andere kruisingen zijn geprobeerd, zoals onder andere de Langhaar Collie met de Bullterriër. Helaas bleken al deze kruisingen niet geschikt te zijn voor het werken met het vee.
In 1840 importeerde een grondbezitter genaamd Thomas Hall, eigenaar van het Dartbrook landgoed bij Muswellbrook in de Hunter Valley van New South Wales, en paar blue merle korthaar collies. De Highland collie van Schotland. Dit waren goede werkhonden maar hadden de eigenschap koppig te zijn en te blaffen, beide niet gewenste eigenschappen in een veedrijvershond. Hall heeft nakomelingen van dit koppel gekruist met de Dingo. De nakomelingen hiervan waren stille werkers welke bekend werden onder de naam 'Hall's Heelers'. De kleur van de honden was rood of blue merle. De meeste hadden staande oren, bruine ogen en het hoofd had dezelfde vorm als dat van de Dingo. Het type toonde veel gelijkenis met de Dingo, Hall's honden waren een grote verbetering als werkhond en zij werden erg gewild bij de veedrijvers.
George Elliot, welke een landgoed bezat in Queensland, was ook aan het experimenteren met het kruisen van dingo's en blue merle collies. Elliot's honden produceerde een aantal zeer goede werkers. Een slager genaamd Alex Davies nam een aantal van deze kruisingen mee naar de Canterburry veemarkt in Sidney. De veedrijvers waren onder de indruk van de werkcapaciteit van deze honden en kochten pups van ze als deze beschikbaar kwamen.
Twee broers, Jack en Harry Bagust, kochten een aantal van Elliot's honden en richten zich op het verbeteren van deze honden. Zij kruisten ze met een geïmporteerde Dalmatische hond om de eigenschappen van de Dalmatiër te verkrijgen, het sociaal zijn met paarden en het beschermen van de eigendommen van de baas.
Deze kruising veranderde het merle in een rood gespikkeld of blauw gespikkelde hond. De pups werden wit geboren en kregen kleur op een leeftijd van ongeveer drie weken. Het enige probleem was dat een gedeelte van de werkcapaciteit verloren ging.
De Bagust broers hebben toen geëxperimenteerd met kruisen van de honden met de black en tan Kelpie om de werkcapaciteit terug te krijgen. Het resultaat was een compacte hond, in type en bouw leken zij op de Dingo, alleen waren zij wat forser met bijzondere eigenschappen die in geen ander ras in de wereld gevonden werd. De blauwe honden hadden zwarte vlekken rondom de ogen en een klein wit plekje in het midden van het hoofd, het zogenaamde 'Bentley mark'. Het lichaam was donkerblauw gespikkeld met een lichterblauw. Zij hadden dezelfde tan tekeningen op de benen, borst en hoofd als de black en tan Kelpie. De rode honden hadden donkerrode tekeningen in plaats van zwarte. Zij hadden een regelmatig rood gespikkelde vacht.
Deze honden zijn de voorouders van de huidige Australian Cattle Dog. De blauwe honden werden bekend onder de naam 'Blue Heelers'.
In 1893 legde Robert Kaleski zich toe op het fokken en showen van de Blue Heelers. Zich realiserend dat er geen controle lag op het oordeel van de keurmeester heeft hem doen besluiten een standaard van de Cattle Dog vast te leggen. In 1903 is deze standaard uiteindelijk onderschreven door de Cattle en Sheepdog club van Australië en de Kennel Club van New South Wales. De naam van het ras werd vastgelegd als Australian Heeler, wat later Australian Cattle Dog is geworden. Deze naam is nu geaccepteerd door heel Australië en ook daarbuiten, als de officiële naam voor dit ras.
De overgave die de ACD in zijn werk (training) laat zien, is uitmuntend. De ACD is een dominante verschijning die een goede leiding nodig heeft daar hij over een grote dosis zelfverzekerdheid beschikt. Belangrijk is dan ook hem een taak te geven die hij met plezier kan uitvoeren, of dit nu zijn oorspronkelijke werk is of een moderne hondensport. De Australian Cattle Dog is zeker geen hond voor iedereen, echter wanneer men voldoende tijd voor hem neemt om hem te bieden en te leren wat hij nodig heeft zal hij een uiterst trouwe en eerlijke kameraad zijn, waar heel veel plezier mee beleefd kan worden.

Foto's uit voeger tijden hier onder 

                             

PROGRESSIEVE RETINA ATROFIE,DE NOODZAAK VAN EEN PRA TEST

PRA is een oogziekte die op latere leeftijd blindheid veroorzaakt en genetisch wordt doorgegeven aan volgende generaties. Het is moeilijk om dit eruit te fokken, omdat het een enkelvoudig recessief erfelijke afwijking is.
Beide ouderdieren kunnen het gen bij zich dragen zonder het ziektebeeld te vertonen.

Wat is PRA?

Gegeneraliseerde Progressieve Retina Atrofie, gPRA of kortweg PRA, is een erfelijke oogziekte die voorkomt bij honden. Dit continue, progressief verlopend ziekteproces leidt in het eindstadium altijd tot totale blindheid.
In 1911 werd het voor het eerst in Europa bij de Gordon Setter beschreven.
In 1938 werd voor het eerst PRA vastgesteld bij de Ierse Setter, terwijl in 1965 hetzelfde zich voordeed bij de Dwergpoedel.
Tegenwoordig is de ziekte voor veel fokkers van rashonden een probleem.

PRA is een degeneratie van het netvlies, de retina.
Dit weefsel bevindt zich op de binnenkant van de oogbol. Het bevat cellen die het gezichtsvermogen bepalen: ze staan bekend als staafjes en kegeltjes.
Deze zogenaamde fotoreceptorcellen absorberen het licht dat door de ooglens gebundeld wordt en veranderen dit door chemische reacties in elektrische zenuwsignalen.
Deze signalen worden via de oogzenuw naar de hersenen gevoerd, waar ze in een waarneembaar beeld worden omgezet. De staafjes zijn voor het zicht in schemer, de kegeltjes dienen voor het daglicht en het zien van kleuren.
Bij PRA worden eerst de staafjes aangetast, waardoor de hond slechter gaat zien in schemerlicht. In een later stadium degenereren ook de kegeltjes, waardoor totale blindheid ontstaat.
Ook bij mensen komt een vorm van PRA voor, het zogenaamde Retinitis Pigmentosa (RP)
 
 

Het begin van de ziekte.

Er bestaan verschillende vormen van PRA.
PRA op vroege leeftijd:
Sommige rassen ontwikkelen al vroeg de ziektesymptomen, terwijl bij andere rassen de ziekte zich pas op latere leeftijd openbaart. Bij rassen waarbij de ziekte zich al vroeg ontwikkelt, is soms al sprake van nachtblindheid vanaf de geboorte! Totale blindheid treedt hier op tussen het eerste en vijfde levensjaar.
De Ierse Setter bijvoorbeeld kan al symptomen van nachtblindheid vertonen vanaf de tweede maand, terwijl van totale blindheid bij dit ras sprake is rond het derde levensjaar.
Hondenrassen waarbij de ziekte zich op jonge leeftijd manifesteert, zijn de Ierse Setter, de Collie, de Noorse Elandhond en de Dwergschnauzer. Bij deze rassen wordt de ziekte door een geremde ontwikkeling van de staafjes en kegeltjes veroorzaakt.
PRA op late leeftijd:
Bij rassen die pas op latere leeftijd PRA krijgen, kan het wel tot vier jaar duren voordat zich de eerste problemen met het gezichtsvermogen voordoen.
Maar voor de meeste rassen geldt dat rond de leeftijd van vijf jaar totale blindheid optreedt, in het uiterste geval voor de leeftijd van acht jaar.
Hondenrassen waarbij de ziekte zich op latere leeftijd manifesteert zijn de dwergpoedels, Engelse en Amerikaanse Cocker Spaniëls, Labrador Retrievers en Tibetaanse Terriërs.
Bij deze rassen ziet men in het begin nog geen enkel ziektebeeld. De ziekte ontwikkelt zich hier pas na de geslachtsrijpheid van de dieren.

Het algemeen ziektebeeld.

Voor alle hondenrassen verloopt het ziektebeeld op dezelfde manier. Beide ogen degenereren gelijktijdig en in dezelfde mate. In het begin wordt bij de getroffen honden nachtblindheid geconstateerd. Dat wil zeggen dat zij hun gezichtsvermogen moeilijk kunnen aanpassen aan omstandigheden in schemerlicht. Na verloop van tijd doen dezelfde moeilijkheden zich voor bij daglicht. Sommige honden kunnen zich onzeker gaan bewegen, maar de meesten zullen zich na enige tijd uitstekend aan hun dagelijkse omgeving aanpassen, terwijl hun gezichtsvermogen steeds verder afneemt. Voorwaarde is dat de omgeving niet verandert.
De baasjes hebben zelf vaak nauwelijks in de gaten dat hun hond langzaam blind wordt. Daarnaast ziet men een verwijding van de pupil, waardoor er een soort `schijnsel` ontstaat in de ogen, dat wordt veroorzaakt door een sterkere lichtweerkaatsing van het zieke netvlies. Vaak kan men ook een verandering constateren aan de ooglens, die troebel en ondoorzichtig wordt, uiteindelijk resulterend in een cataract. (staar).

De diagnose.

De diagnose PRA kan alleen door een oogonderzoek worden vastgesteld. Met atropine druppels worden de pupillen verwijd en onderzoeken we het netvlies. We kunnen de volgende veranderingen zien :

  1. Een verhoogde reflexie van de fundus (dat is de binnenkant van de oogbol waarop het netvlies zich bevindt.)
  2. Een verminderde doorsnede en vertakking van de bloedvaten van het netvlies.
  3. Een verminderde werking en verkleining van de oogzenuw. (die van het netvlies naar de hersenen loopt)


Figuur 1 : toont een normale retina.
Figuur 2 : toont een retina met retina atrofie.

Het begin van de ziekte is specifiek voor verschillende rassen, maar als een hond deze veranderingen vertoont, is er meestal al sprake van een aanzienlijk verlies van het gezichtsvermogen en zal hij binnen afzienbare tijd zijn gezichtsvermogen totaal verliezen.

PRA en erfelijkheid.

We moeten allereerst onderscheid maken tussen honden die daadwerkelijk PRA zullen ontwikkelen – ze worden lijders genoemd - en honden die ‘slechts’ drager van deze aandoening zijn. De drager van PRA is ogenschijnlijk gezond, ontwikkelt de ziekte dus niet, maar zal helaas de afwijking wèl aan het nageslacht doorgeven.
Voor zover tot nu toe bekend, is PRA (op één uitzondering na) bij alle hondenrassen een enkelvoudig recessief erfelijke ziekte. Dat betekent dat een pup, die later de ziekte daadwerkelijk zal krijgen (de lijder dus) zowel een defect gen van de vader als van de moeder moet hebben geërfd. Dit betekent dat zowel de reu als de teef in dat geval ofwel drager van de ziekte is ofwel lijder moet zijn. Omdat honden die PRA-lijder zijn, twee defecte genen bezitten, zijn alle nakomelingen van deze honden op zijn minst drager van het defecte gen.
Hondenrassen zijn vaak door slechts enkele dieren gegrondvest, die destijds de voor het ras belangrijke kenmerken droegen.
Door één, of misschien een paar van deze stamvaders of -moeders zouden bepaalde PRA veroorzakende mutaties in het betreffende ras kunnen zijn ingebracht. Bij de verdere opbouw van het ras, kon het defecte gen zich ongezien (want het is immers recessief) in de populatie uitbreiden.
Door kruising van dieren die allebei dit recessieve gen bezaten, konden uiteindelijk nakomelingen ontstaan met twee defecte genen voor PRA. En zó wordt de ziekte zichtbaar in een populatie.
Alle mogelijke combinaties van ouderparen.

  1. Beiden lijder: 100% van de puppen lijder.
  2. Beiden drager: 25% lijder, 50% drager, 25% vrij.
  3. Eén lijder, één drager: 50% lijder, 50% drager.
  4. Eén lijder, één vrij: 100% drager.
  5. Eén drager, één vrij: 50% drager, 50% vrij.

Behalve bij de eerste en vierde mogelijkheid (dat is altijd 100%) kan in de praktijk een ander percentage voorkomen.
Er zijn immers nesten met wel 6 reuen en maar 1 teefje, terwijl de kans op een reu of teef altijd gelijk is. Dus 50-50. Maar hoe meer pups in een nest, hoe dichter deze percentages benaderd worden.

Behandeling

Er uiteraard geen behandeling voor deze aandoening  dus er niet mee fokken



Daarom een HD Test

Heupdysplasie bij honden


In dit artikel

  • Anatomie van de heup
  • Wat is heupdysplasie precies?
  • Erfelijk
  • Faktoren die van invloed zijn
  • Hoe kun je zelf heupdysplasie herkennen bij je hond?
  • Diagnose
  • Behandeling van heupdysplasie
  • Is heupdysplasie te voorkomen?
  • 5 tips om jouw hond met HD te helpen
  • In de media
  • Informatieve links
  • Reageer op dit artikel

Anatomie van de heup

  • Een heupgewricht bestaat uit een kom (het acetabulum), deze is onderdeel van het bekken, en een kop (het caput femoris) het bovenste stuk van het dijbeen (femur). Het is een kogelgewricht; de kop en kom zijn rond en moeten goed in elkaar passen om soepel te kunnen draaien.
  • Daarvoor is het bot bekleed met kraakbeen en wordt er gewrichtsvloeistof (synovia) geproduceerd.
  • Om het geheel stevigheid te geven zitten er kapsels, banden en spieren om het gewricht.

Wat is heupdysplasie precies?

Tijdens het eerste jaar is het gewricht in ontwikkeling, op een leeftijd van 1 jaar zijn alle groeischijven gesloten en is het gewricht klaar. Heupdysplasie is een slechte ontwikkeling van het heupgewricht.
De oorzaak is dat het kapsel niet sterk genoeg is, de aansluiting van kop en kom is onvoldoende, de kom wordt ondiep en de kop wordt niet mooi rond maar raakt afgeplat. De kop gaat losser zitten, gaat tegen de kom botsen, kan zelfs neiging krijgen uit de kom te schieten (subluxatie). Daar de heup niet soepel beweegt gaat dit pijn doen bij bewegen. Deze pijnklachten gaan optreden op een leeftijd van 6-18 maanden. Daarna is het kapsel dikker geworden en samen met aanzet van bot is er een stabielere situatie ontstaan waardoor er minder pijn is. Toch is het gewricht afwijkend. Het lijkt een tijd goed te gaan maar door verdere slijtage zal de hond bij het ouder worden toch weer meer klachten krijgen. Vooral de ontwikkeling van botaanzet (arthrose), gaat last geven.

Erfelijk

HD is erfelijk. De aanleg voor de ziekte wordt doorgegeven via het DNA (erfelijk materiaal). Door allerlei factoren zal de ene hond zich anders ontwikkelen dan de andere hond, d.w.z. zal de HD zich wisselend kunnen ontwikkelen.

Faktoren die van invloed zijn

  • overgewicht, hoe zwaarder de hond is des te groter is de belasting van het gewricht
  • te veel en te wild spelen in de jeugd
  • veel traplopen
  • in zware grond lopen (duinen)

Hoe kun je zelf heupdysplasie herkennen bij je hond?

  • de hond wil minder graag bewegen, gaat minder spelen met andere leeftijdsgenoten, kan zelfs gaan liggen bij het spelen
  • na rust kan de hond stijf zijn bij het opstaan, moet op gang komen
  • de hond kan kreupel lopen, vaak doen beide achterpoten zeer, maar de poot die het ergste pijn doet zal de kreupelheid laten zien
  • de hond ‘hopt’ en zwaait met zijn achterlijf tijdens het lopen

Zie de Youtubes onderaan deze pagina van honden met heupdysplasie.

Diagnose

Het onderzoek bestaat uit een aantal onderdelen. Eerst is er de observatie, er wordt gekeken hoe de hond beweegt (locomotieonderzoek). Daarna worden de pijnlijkheid en de beweeglijkheid van de gewrichten getest. Hieruit blijkt dan dat het probleem in de heupen zit. Daarna worden de heupen verder onderzocht. In zijligging wordt o.a. de losheid van de banden getest, mogelijkheid tot subluxatie (ortholanietest). Aanvullend wordt een rontgenfoto van de heupen gemaakt. De hond ligt dan op de rug en beide achterpoten worden gestrekt. Bij HD kun je op de foto zien dat de kop en kom niet goed zijn aangesloten, de kom is ondiep, de kop afgeplat. Er kan begin van arthrose lang de rand van de kom en kop zijn (kan al vanaf een leeftijd van ½ jaar).

Behandeling van heupdysplasie

De behandeling is erop gericht de hond toch een goed en pijnvrij leven te bezorgen.

Optie 1: bekkenkanteling

Een operatieve ingreep waarbij de aansluiting van kop en kom verbeterd wordt. Wordt gedaan bij honden die pijnklachten hebben. De ingreep vindt plaats op een leeftijd van 7-11 maanden. Door de ingreep wordt de pijnlijkheid minder, de heup schiet niet meer zo makkelijk uit de kom, de slijtage als de hond ouder wordt is minder. Als de hond op jonge leeftijd geopereerd wordt (6-9 maanden), is de verdere ontwikkeling van het gewricht ook beter, dus een beter uitgegroeid gewricht op een leeftijd van 12 maanden.
Of een operatie mogelijk is hangt van een aantal dingen af. De hond moet minimaal 6-7 maanden oud zijn, anders is het bot van het bekken nog te zacht. De heupkom moet redelijk ontwikkeld zijn. De stand van kop en kom moet aan bepaalde eisen voldoen (meting ornitholaniehoek). Er mag nog geen aanwijzing voor arthrose zijn. Als aan deze voorwaarden voldaan wordt en de hond kan geopereerd worden is de prognose goed, 90% van de honden zal heupen ontwikkelen die goed functioneren en waarbij er minimale slijtage is.
De ingreep is wel zwaar en kan alleen door een gespecialiseerde dierenarts verricht worden. Ook kan er maar 1 kant tegelijk geopereerd worden. Na de operatie is een goede revalidatie essentieel.

Optie 2: symphysiodese

Een andere operatieve ingreep is de Symphysiodese. Deze wordt gedaan bij honden die nog geen klachten hebben en waarbij bij routine onderzoek (gevoelige rassen) op jonge leeftijd gebleken is dat ze aanleg hebben voor het ontwikkelen van HD. Dit onderzoek wordt gedaan op een leeftijd van 12-16 weken.
Bij de ingreep wordt een deel van de groeicapaciteit van het bekken uitgeschakeld, nl. de bekkenbodem. Het resterende deel groeit wel uit (waarbij de kop en kom). Het resultaat is dat de bekkenbodem nauwer blijft waardoor de kop als het ware gekanteld wordt. Hierdoor wordt de aansluiting met de kom beter.
Een nadeel is dat de hond die je opereert mogelijk nooit HD zal ontwikkelen, d.w.z. dat de banden zelf in verloop van tijd sterker worden en het dus zonder operatie ook goed zou zijn gegaan. De operatie wordt gedaan op erg jonge leeftijd, 3-4 maanden. Daar later op de rontgenfoto de situatie normaal lijkt en met de honden niet gefokt mag worden, moeten deze ook gecastreerd c.q. gesteriliseerd worden.
Er zijn van deze ingreep nog geen gegevens van het resultaat op langere termijn.

Optie 3: pectineus myotomie

Bij klachten op oudere leeftijd zijn er nog een aantal mogelijkheden. Pectineus myotomie. Dan wordt een deel van een spier die de kop in de kom trekt verwijderd. Deze ingreep wordt gedaan bij honden die veel pijn van de arthrose hebben die in kop en kom bestaat.
Door een deel van de spier weg te nemen, komt de kop minder strak in de kom te zitten waardoor de pijn minder is. Voorwaarde is dat de kom nog redelijk diep is, anders kan de kop er makkelijk uit schieten.

Optie 4: kunstheup

Ook kan een hond via een operatieve ingreep een kunstheup krijgen. Deze ingreep is kostbaar. Soms wordt besloten tot het verwijderen van de slechte heupkop (heupkopresectie).
Voorwaarden voor deze behandeling:

  • De kom moet voldoende diep zijn en er mag niet veel arthrose van de kom zijn.
  • Dit heeft alleen zin als de andere poot in goede conditie is. Dit zal bij HD niet vaak het geval zijn.
  • Verder mag de hond niet te zwaar zijn en komt HD juist bij grote rassen voor.

Optie 5: medicatie

Naast operatieve mogelijkheden zijn er ook een aantal medicamenten die in geval van HD gegeven kunnen worden.

  • Vaak zijn dat pijnstillers, zogenaamde NSAID’s, niet steroide pijnstillers / ontstekingsremmers.
  • Daarnaast hebben omega-3 vetzuren (zoals bijvoorbeeld in visolie zit) een gunstig effect op de gezondheid van gewrichten.
  • Bij arthrose kunnen glucosamines en chondroitine gegeven worden. Deze stoffen zorgen voor herstel van kraakbeen , remmen ontstekingen en stimuleren de aanmaak van gewrichtsvloeistof.
  • Verder zijn er een aantal homeopatische middelen die kunnen helpen bij het verlichten van de klachten.

Aanvulling na operatieve ingreep: fysiotherapie

Fysiotherapie kan goed helpen bij de revalidatie na een operatieve ingreep en bij de oudere hond kan het helpen verlichting te geven door gewrichten soepel te maken en spieren sterk te houden. Massage oefeningen, rechtlijnige bewegingen en zwemmen kunnen helpen. Er zijn zelfs een aantal zwembaden voor honden in Nederland. Ook wordt gebruik gemaakt van acupunctuur, met name bij pijn kan dit goede resultaten geven. Er is een methode waarbij er goudstaafjes rond de heupgewrichten geimplanteerd worden die permanente acupunctuur geven.

Is heupdysplasie te voorkomen?

De enige manier om HD te voorkomen is het probleem via de fokkerij uit het ras te krijgen, d.w.z. alleen fokken met HD-vrije dieren. Van elke hond waarmee gefokt gaat worden moet een röntgenfoto van de heupen worden gemaakt. Deze wordt beoordeeld door een aantal deskundigen van de afdeling GGW (gezondheid, gedrag en welzijn) van de Raad van Beheer (op kynologisch gebied). De foto’s mogen pas gemaakt worden als de heupen uitgegroeid zijn, d.w.z. vanaf een leeftijd van 12 maanden. Voor een aantal rassen is dit zelfs 18 maanden.
Wanneer men een (jonge) hond heeft aangeschaft en er twijfels zijn of de hond wel goed functioneert wat betreft het lopen, dan is het sterk aan te raden een dierenarts te raadplegen. Er zijn uiteraard meerdere oorzaken waardoor een hond klachten bij het lopen kan hebben, heupdysplasie is een van de mogelijkheden.

5 tips om jouw hond met HD te helpen

  • voorkom overgewicht
  • speel geen wilde spelletjes met je hond
  • laat je hond niet op de trap of andere hellingen lopen
  • wandel niet op zware ondergronden zoals duinzand
  • probeer springen (op en af de bank) te voorkomen


project

Ik ben altijd ergens mee bezig. Meestal met het behalen van resultaten voor mijn klanten. Maar soms werk ik aan een persoonlijk project waarbij ik nieuwe concepten en ideeën uitwerk.

ED Onderzoek Zeker Noodzakelijk

ED / Elleboogdysplasie bij honden

Wat is elleboogdysplasie?

Elleboogdysplasie is een verzamelnaam voor een aantal voornamelijk erfelijke aandoeningen aan de ellebogen van de hond. Deze aandoeningen veroorzaken pijn en dus kreupelheid bij de hond. De aandoeningen treden al op in het eerste levensjaar (4-12 maanden).

Welke aandoeningen vallen onder elleboogdysplasie?


Incongruentie
Wanneer de ellepijp en het spaakbeen niet goed op elkaar aansluiten spreken we van incongruentie. De incongruentie wordt veroorzaakt doordat het ene bot te lang of te kort is t.o.v. het andere. Door middel van een operatie is dit redelijk goed te verhelpen, al zijn het geen lichte operaties. De incongruentie kan LPC, LPA en OCD veroorzaken.
LPC
Een LPC of "Los Processus Coronoideus" is een los stukje bot van de ellepijp in het ellebooggewricht.  Dit processus Coronoideus bevindt zich onder in het ellebooggewricht. Heeft een hond last van een LPC dan is het zaak dit losse stukje bot zo snel mogelijk te verwijderen >> Lees meer over LPC.
LPA
Het Processus Anconeus is een botpunt van de ellepijp dat zich aan de bovenkant van het ellebooggewricht bevindt.  Tijdens de groeifase hoort het Processus Anconeus vast te groeien aan de ellepijp. Wanneer dat niet gebeurt, spreekt men van een LPA, een Los Processus Coronoideus. Ook een LPA dient zo snel mogelijk verwijderd worden om artrosevorming te voorkomen.
OCD
OCD of Osteochondrosis Dissecans is een beschadiging van het kraakbeen. Zeker wanneer een stuk kraakbeen los komt te liggen kan dit flink pijnlijk zijn voor de hond. Ook een OCD dient op korte termijn verwijderd te worden om artrosevorming tegen te gaan. De verwijdering d.m.v. artroscopie verdient de voorkeur. 

Wat is de oorzaak van elleboogdysplasie?

Elleboogdysplasie is een multifactoriele aandoening wat wil zeggen dat er meerdere oorzaken zijn. Erfelijkheid speelt een grote rol, maar ook trauma, voeding en stofwisseling zijn belangrijke factoren binnen elleboogdysplasie. De mate van overerving is polygenetisch, dat betekent dat er meerdere genen betrokken zijn bij de ontwikkeling van elleboogdysplasie. Dat maakt het uitselecteren via de fokkerij ook zo lastig.

Welke rassen zijn extra gevoelig voor elleboogdysplasie?

  • Berner Sennenhond
  • Labrador
  • Golden Retriever
  • Bouvier
  • Duitse Herder
  • Chow –Chow
  • Bordeaux Dog
  • Rottweiler
  • Newfoundlander
  • Bull Mastiff
  • Sint Bernard
  • Ierse wolfshond
  • Basset

Hoe wordt de diagnose elleboogdysplasie gesteld?

Naar aanleiding van het verhaal van de eigenaar en het lichamelijk onderzoek, kan het vermoeden ontstaan van elleboogdyslasie. De diagnose wordt uiteindelijk gesteld met behulp van rontgenfoto's. Daarbij wordt gelet op het voorkomen van bovenstaande aandoeningen en of er artrosevorming is.

De behandeling van elleboogdysplasie

De behandeling van elleboogdysplasie is afhankelijk van betrokken aandoeningen en de ernst van de klinische symptomen. Over het algemeen zal een min of meer ingrijpende operatie moeten plaatsvinden. Artroscopie is een erg waardevolle methode bij diagnostiek en behandeling van elleboogdysplasie wanneer het om OCD en LPC's gaat. Daarnaast zijn belangrijk:

  • gewichtbeperking
  • voorkomen van overbelasting
  • pijnstillers/ontstekingsremmers
  • goede voeding

Officiele ED-foto's

Bij de fokkerij van rashonden is het belangrijk om zoveel mogelijk te fokken met honden die elleboogdysplasie-vrij zijn. Daarom wordt er veel gebruik gemaakt van "Officiële ED-foto's". Dit zijn röntgenfoto's die in een aantal standaardrichtingen worden gemaakt en beoordeeld door de Raad van Beheer. Hierbij zijn de volgende uitslagen mogelijk:

  • Vrij
  • Grensgeval
  • Graad 1
  • Graad 2
  • Graad 3

Voor een aantal rassen is diagnose onderzoek verplicht. Dit betreffen:

  • Labrador Retriever
  • Golden Retriever
  • Chesapeake Bay Retriever
  • Rottweiler
  • Berner Sennenhond
  • Duitse Herdershond
  • Bordeaux Dog

In principe kunt u bij alle DierenDokters dierenklinieken officiele ED-foto's laten maken.

Kan ik elleboogdysplasie voorkomen?

Let u vooral bij aanschaf of er gefokt is met elleboogdysplasie-vrije ouders. ED-vrije ouders is geen garantie op succes maar maakt wel de kans een stuk kleiner. Wanneer u pup heeft een ED-gevoelig ras, pas dan op met overbelasting en geef uw pup een goed kwaliteitsvoer speciaal voor grote rassen (bijv. Hill's VetEssentials Large Breed).

Fokkerijadvies

Alle dieren die in meer of mindere mate last hebben van ED zouden moeten worden uitgesloten van de fokkerij.


 verhaal

We hebben allemaal een passie. Dit is de mijne! Ik besloot al jong voor mijn passie te gaan. En elke dag leer ik nog bij.

PLL onderzoek is zeker noodzakelijk 

Lensluxatie bij de hond

Wat is lensluxatie?

In het oog wordt de lens door ophangbanden (fibrae zonulares) op zijn plaats gehouden. Deze ophangbanden kunnen verkeerd zijn aangelegd, scheuren of langzaam afsterven. Het gevolg hiervan is dat de lens loslaat. De lens kan gedeeltelijk loslaten (subluxatie) of zijn geheel loslaten (luxatie). In het geval van een lensluxatie kan de lens op zijn plaats blijven staan of naar voren of naar achteren kantelen.
Een gekantelde lens kan vervolgens de afvoer van vocht uit het oog blokkeren. Wanneer kamerwatervocht uit het oog niet kan worden afgevoerd, zal dit vocht zich gaan ophopen in het oog en ontstaat glaucoom.

De verschijnselen van lensluxatie

De verschijnselen die gezien worden, zijn afhankelijk van de mate van loslating van de lens en van de richting waarin de lens zich kantelt. De volgende verschijnselen kunnen gezien worden:

  • Een pijnlijk, blind of slechtziend oog
  • Witte wolkjes voor de pupil
  • Een halvemaanvormige rand tussen de pupilrand en de lens.
  • Een afgeplatte, brede iris
  • Bij bewegingen van het oog, kan de lens ‘nawiebelen’
  • Soms kan je de lens voor de iris en de pupil in de voorste oogkamer zien liggen
  • Witte sluiering van het hoornvlies waardoor je niet meer of minder in het oog kan kijken en de lens en de iris niet meer zichtbaar zijn.
  • Een grote opgezwollen oogbol


Lensluxatie bij een hond, de geluxeerde lens is duidelijk zichtbaar
in de voorste oogkamer als een witte bol

Rassen waarbij lensluxatie voorkomt

Lensluxatie wordt vaker bij de hond dan bij de kat gezien. Bij een aantal hondenrassen is de aandoening erfelijk (met recessieve overerving); Jack Russel Terriërs, Tibetaanse Terriërs, Miniatuur Bulterriër, Border Collie, Sharpei, Duitse Jacht-, Welsh-, Fox- en Dandie Dinmont Terriërs.
Tegenwoordig is een DNA test van Primaire Lens Luxatie (PLL) beschikbaar zodat alle ouderdieren, voordat er met ze gefokt gaat worden, kunnen worden getest op het genetisch bij zich dragen van deze aandoening.

Hoe stel je vast of een dier een lensluxatie heeft?

Door middel van nauwkeurig en uitgebreid oogonderzoek is de diagnose van lensluxatie te stellen. Ook dient ook de oogboldruk gemeten te worden; op deze manier wordt vastgesteld of er al sprake is van glaucoom.

De behandeling van een lensluxatie

De behandeling van een volledige lensluxatie bestaat uit het operatief verwijderen van de losgelaten lens uit het oog. Deze behandeling dient bij honden op korte termijn te worden ingesteld: binnen 1 tot 3 dagen. Als er langer wordt gewacht, is er bij de hond grote kans op ontstaan van glaucoom.
Soms wordt besloten om de lensluxatie alleen met medicatie te behandelen en is het van groot belang om regelmatig op controle te komen. Een omstandigheid waarin dit besloten kan worden is bijvoorbeeld een zeer oude hond met een groot narcose risico.

Wat is de prognose?

De prognose van het oog is na verwijderen van de lens goed. Indien er sprake is van de erfelijke vorm, kan ook altijd de lens van het andere oog kantelen. Als de lensluxatie op korte termijn is vastgesteld en het netvlies niet beschadigd is, is de prognose voor het gezichtsvermogen na de operatie redelijk goed; het gezichtsvermogen zal niet meer zo goed zijn als voorheen maar uw huisdier kan nog steeds traplopen, springen en zal niet tegen tafel- of stoelpoten lopen.
 


De Noodzaak Van Spondylose Onderzoek

SPONDYLOSE

Wat is spondylose?

Spondylose is een chronische aandoening van de wervelkolom waarbij de wervels en de tussenwervelschijven aangetast raken. Deze slijtage leidt uiteindelijk tot de vorming van botwoekeringen tussen de ruggenwervels en kan stijfheid en pijn veroorzaken.
Hoe is de normale anatomie van de wervelkolom?
De wervelkolom van de hond loopt van zijn kop tot zijn staart en is omgeven door spieren. De wervelkolom bestaat uit wervels die ten opzichte van elkaar kunnen bewegen door de aanwezigheid van tussenwervelschijven. De hond heeft 7 halswervels, 13 borstwervels, 7 lendewervels, het heiligbeen en een wisselend aantal staartwervels, afhankelijk van het ras of individu. De tussenwervelschijf maakt de onderliggende beweging mogelijk en dient tevens als schokbreker. Door het benige deel van de wervels loopt het ruggenmerg. Het ruggenmerg loopt vanuit de hersenen naar de staart. Tussen twee wervels ontspringen aan beide kanten zenuwbanen aan het ruggenmerg die de zenuwvoorziening van het lichaam verzorgen. De tussenwervelschijven zorgen normaliter naast de schokdemping ook voor beweeglijkheid van de wervelkolom.
Hoe ontstaat spondylose?
Naarmate honden ouder worden kunnen de tussenwervelschijven minder vocht vasthouden. Hierdoor vermindert de schokdemperfunktie en worden de schijven minder soepel en minder flexibel. Dit proces treedt bij de meeste dieren op wanneer zij ouder worden. Het lichaam reageert op deze degeneratie door extra bot aan te maken. Dit gebeurt voornamelijk aan de onderzijde van de wervels. De botwoekeringen van twee aan elkaar grenzende wervels kunnen tegen elkaar aan komen wat pijn kan veroorzaken. Ook kunnen de uittredende zenuwbanen bekneld raken door het dunner worden van de tussenwervelschijf. Dit kan gepaard gaan met zenuwuitval. Wanneer de botwoekeringen van twee wervels met elkaar vergroeien kunnen 'bruggetjes' ontstaan. De pijnlijkheid valt dan vaak weer mee, maar de wervelkolom wordt wel stijver en minder beweeglijk.

Bij welke dieren komt spondylose voor?

Spondylose wordt met name gezien bij oudere dieren. Middelgrote tot grote rassen vertonen vaker spondylose dan kleine rassen. Bij sommige rassen wordt al op jonge leeftijd spondylose gezien, de boxer is hiervan een voorbeeld.
Wat zijn de symptomen van spondylose?
Symptomen die bij spondylose gezien worden varieren in ernst en zijn onder andere afhankelijk van de aanwezigheid van zenuwuitval door druk op de uittredende zenuwbanen. Symptomen die vaak voorkomen zijn:

  • stijve, stramme en zwabberende gang
  • pijn
  • stijfheid nek en rug
  • moeilijk opstaan en gaan liggen
  • bolle rug
  • moeilijk traplopen of in de auto springen
  • chagrijnigheid/agressiviteit ten gevolge van pijn
  • zenuwuitval poten
  • verminderde bespiering achterhand door verminderde arbeid
  • moeilijk poepen en plassen

Hoe stellen we de diagnose?
Tijdens een goed klinisch onderzoek valt vaak de stijve, en pijnlijke nek of rug op. de diagnose wordt door middel van röntgenologisch onderzoek bevestigd. Vaak zijn de duidelijke botwoekeringen en bruggen duidelijk te zien.
Hoe is de behandeling van spondylose?
Eenmaal gevormde botwoekeringen zijn niet te verwijderen. De behandeling van spondylose bestaat voornamelijk uit het vertragen van het proces en het verminderen van de pijn. Honden met klachten zullen vaak snel verbetering laten zien wanneer zij pijnstillers krijgen voorgeschreven. Naast deze pijnstillers is het raadzaam supplementen te geven die een ondersteundende werking hebben op de kraakbeen- en botontwikkeling zoals glucosamines, chondroïtinesulfaat en omega-3-vetzuren. Dieren met overgewicht hebben baat bij een afvaldieet en fysiotherapie kan zinvol zijn om de spieren soepel te houden. Veel zwemmen is goed; dit is onbelaste beweging. Goed voor de spieren zonder dat de gewrichten overbelast worden.
Spondylose op meerdere plaatsen duidelijk zichtbaar (pijlen)
 




project

Ik ben altijd ergens mee bezig. Meestal met het behalen van resultaten voor mijn klanten. Maar soms werk ik aan een persoonlijk project waarbij ik nieuwe concepten en ideeën uitwerk.

DISH onder zoek is zeker ook noodzakelijk 

Spondylosis Deformans

Spondylose is een non-inflammatoir proces, geassocieerd met een degeneratie van de annulus fibrosis van de tussenwervelschijf. Er vormen zich benige sporen en brugjes tussen de wervels. Aangenomen wordt dat spondylose in de meeste gevallen geen of weinig klachten geeft (soms stijfheid). Er moet een onderscheid gemaakt worden met de aandoening DISH (Diffuse Idiopathic Skeletal Hyperostosis). Bij deze ziekte verbenen bepaalde ligamenten en pezen, dit tast zowel de wervelkolom als de ledematen aan. DISH is vooral bekend bij mensen. Bij de hond lijken vooral Boxers gevoelig te zijn. DISH kan bij deze honden ook voorkomen in combinatie met spondylose, maar de symptomen van DISH zijn zeer ernstig (pijn, neurologische uitval, botbreuken), in tegenstelling met spondylose.
Vanuit AOMD oogpunt is de brugvorming een poging van het lichaam om instabiliteit van de wervelkolom te compenseren. Corrigeren van de afwijkende stand maakt de spondylose overbodig. Er zijn vanuit de praktijkervaring anekdotische aanwijzingen dat spondylose een omkeerbaar proces is, dat wil zeggen: de radiografisch waarneembare sporen en bruggen kunnen op de lange termijn verdwijnen na orthomanipulatieve behandeling. Deze veronderstelling moet nog getoetst worden.


De diverse kleur schakeringen van de Cattle Dog 

Schapendrijven  

Een zeer leuke en behendigheids- training voor de cattle dog ze genieten er zichtbaar van 

Galerij

Bezoek mijn fotogalerij om een indruk te krijgen van die unieke stijl die mijn klanten zo waarderen. Zie je niet waar je naar op zoek was, neem dan contact met me op - ik help je graag!

Advies

Het is mijn doel om jou en je bedrijf te leren kennen. Zo kunnen we bepalen wat werkt en nieuwe groeimogelijkheden ontdekken. Hoe ik dat doe? Met behulp van mijn kennis van de branche, vlijmscherpe focus en innovatieve supportmogelijkheden.